Arie Spanjaard

Karakterportret Arie Spanjaard

Het is een gure herfstdag. Code rood, flinke windstoten en fikse buien. Gelukkig woont Arie op loopafstand en is het me gegund om droog te arriveren.

Villa Mes blijkt een prachtig appartementencomplex te zijn. Het is gelegen aan het spoor en dankt zijn naam aan de vroegere Meshallen. Inmiddels is het bedrijf verhuisd naar de Nieuweweg en heeft het zijn naam veranderd in Eromes. Het schoolmeubilair is met zijn tijd meegegaan en heeft de crisis overleefd.

Het appartement van Arie is gelegen op de tweede verdieping. Vanaf de voordeur kijk je over een balustrade, richting het spoor zo op de binnentuin. De tuin vol zitjes en palmbomen straalt een gemoedelijke sfeer uit. Het lijkt mij een fijne plek om zo samen oud te mogen worden. Eenmaal binnen valt het mij op dat alles er netjes en verzorgd uitziet. Moderne meubels en de muren zijn nog hagelwit. Arie vertelt dat ze onlangs nog alles hebben laten opknappen en dat is te zien.

We nemen plaats aan een houten tafel. De koffie pruttelt en al snel zitten we verzonken in het gesprek. ‘Ik ben een geboren en getogen Alvanees, opgegroeid in de Watersnipstraat van Alverna’, begint Arie zijn verhaal. ‘Ik ben de vijfde uit een rij van acht kinderen en heb een goede jeugd gehad. In die tijd was alles nog veel gemoedelijker. Je kende iedereen en kon zo bij alle buurtgenoten naar binnen lopen. De mensen waren wat vriendelijker dan vandaag de dag en het saamhorigheidsgevoel was groot. Ik herinner me vooral dat er in onze straat veel grote gezinnen woonden. Er was altijd iets te doen en we verveelden ons nooit.

De dagen hadden veel structuur. Je wist precies waar je aan toe was. Zo stond bij ons om klokslag vijf uur het eten op tafel. Mijn vader was bouwvakker en zodra hij thuiskwam nam hij plaats aan het hoofd van de tafel. Met de klok mee schepte hij het eten op. Het kwam weleens voor dat er bij de achtste kind niks meer in de pan zat. Dan stond mijn moeder vlug op en moesten we allemaal een schepje doneren om het achtste bord alsnog te vullen. Arie lacht. ‘We sliepen met 4 jongens op een kamer en dat ging altijd goed. We wisten ook niet beter.’ Ik zie zijn kaken wat verkrampen als hij uit het niets zegt. ‘Mijn vader is tweeënveertig jaar geleden gestorven en mijn moeder is inmiddels al zesentwintig jaar dood. Daarbij komt dat één van mijn broers op negenvijftig jarige leeftijd is overleden aan kanker. Deze drie personen zijn wel een groot gemis.’ Dan lijkt hij weer iets meer te kunnen ontspannen. ‘Met mijn overige vijf broers en een zus heb ik een prettig contact. Ze wonen allemaal in de buurt.’ Ik kijk hem recht aan en knik hem bemoedigend toe om hem te laten weten dat ik heb gehoord wat hij me zojuist heeft verteld.

Bij binnenkomst viel het mij op dat de televisie aanstaat en nog steeds hoor ik op de achtergrond zachtjes een sportverslaggever zijn commentaar geven op een wedstrijd. Ik kijk even om en wijs naar de t.v. ‘Was je deze wedstrijd aan het volgen?’ Arie beaamt mijn vermoeden, maar geeft direct aan dat hij deze al heeft gezien. ‘Ik kijk naar vrijwel alle sporten. Daar ben ik altijd al gek op geweest en dat zal ook wel zo blijven.’ Er verschijnen wat lachrimpels om zijn mond en ogen. ‘Sport heeft altijd al een grote rol in mijn leven gespeeld. Vroeger al speelden we met een stel jongens voetbal op het veldje naast de tuin van Dien Buuk. Dien was een oud vrouwtje wonend aan de Graafseweg ter hoogte van Umberto. Daar op de berg en op het veld hebben we heel wat uren doorgebracht. Dien werd niet vaak ontzien. We hielden haar geregeld voor de gek en zij trapte er altijd weer in. Arie gniffelt en ik wed dat het dezelfde gniffel is als toen. ‘Ik voetbalde trouwens toen ook al bij de club Alverna. Ik ben daar later ook jarenlang jeugdleider geweest en nog steeds sta ik bij alle thuiswedstrijden van het eerste langs de lijn. Net als bij AWC overigens.’ Hij glimlacht.

‘In mijn puberteit kwam ik geregeld bij het KWJ, de vereniging voor Katholieke Werkende Jeugd. Zij richtte zich in eerste instantie op culturele activiteiten voor jongeren. Op woensdagmiddag en in de weekenden werd er muziek gedraaid. Je kon er darten, tafeltennis spelen, biljarten en zo nu en dan werd er een disco georganiseerd. In die tijd is ook mijn liefde voor biljarten ontstaan. Inmiddels speel ik al jarenlang bij de Katholieke Bond voor Ouderen een competitie in de regio. Zo’n twee a drie keer per week ben ik ergens aan het oefenen. Door me te focussen op de bal kan ik me ontspannen en doe er aardig wat sociale contacten mee op. In de crisistijd ben ik mijn baan als bouwvakker verloren en in 2002 heb ik een hartinfarct gehad. Dit alles maakt het dat ik nu al jarenlang thuis zit. Een reden te meer dat ik het heerlijk vind om te biljarten en naar het voetballen te gaan. Zo is mijn wekelijkse donderdagochtend ook heilig. Deze traditie is drie jaar geleden ontstaan. Met twee goede vrienden, Jan Peters en Eef Evers drink ik koffie bij Café Anneke. Vaak in het gezelschap van vrouwen, kinderen en kleinkinderen. We drinken een paar kopjes en eten verse kibbeling van de markt. Dat is wel echt een genietmoment.’ Zijn lichaamstaal spreekt boekdelen en zet zijn woorden kracht bij.

‘Zelf heb ik geen kinderen. Mijn vrouw Joke en ik hebben hier heel bewust voor gekozen. Wat best bijzonder was voor die tijd. We zijn wel gek op kinderen hoor en passen regelmatig op de kleintjes van mijn schoonzus. Zelf vermaken wij ons uitstekend met z’n twee. Dit houden we nu al zo’n 45 jaar vol.

In 1972 hebben we elkaar in het ziekenhuis leren kennen. Dat is nog wel een bijzonder verhaal’, zegt Arie. ‘Ik lag daar zes weken plat op een donkere kamer. Op mijn achttiende ben ik op mijn werk namelijk zomaar in elkaar gezakt. Ik ben eerst nog naar huis gegaan, maar uiteindelijk ben ik met de ambulance naar het CWZ gebracht. Daar bleek uit de scans dat het een hersenbloeding was. Het gevolg was dat ik drie weken alleen op een donkere kamer moest liggen en met donker bedoel ik ook echt donker. Dus de gordijnen dicht, plat op een bed en geen enkele afleiding om de dag mee door te komen. Ik heb die dagen voornamelijk slapend doorgebracht. Hij is even stil en kijkt me aan. ‘In die tijd heeft mijn jongste broer zich ook verbrand. Hij lag met grote brandwonden in zijn gezicht op een andere afdeling. Als mijn moeder dan op bezoek kwam ging ze van de een naar de ander. Na de eerste drie weken kwam ik op een kamer te liggen met een man uit Horssen. Joke kwam geregeld bij hem op bezoek en zo hebben we elkaar leren kennen. Na mijn herstel kwam ik haar op de Wijchense kermis weer tegen en kregen we verkering. Horssen was voor mij geen optie, want Wijchen is echt mijn thuis. Op wat mooie vakanties in Zuid-Spanje na, wil ik hier echt nooit meer weg. Gelukkig heeft Joke zich hier in het begin van ons huwelijk al bij neergelegd.’ Hij kijkt even op naar zijn vrouw die hem vanaf de kamer toelacht.

Met deze mooie anekdote sluiten we af. De koffiepot is leeg en de koek is op. Ik bedank Arie voor het gesprek en als ik nou goed doorloop kom ik nog voor de regenbui thuis.

Tekst: Sandy Theunissen; www.jouwtekstschrijver.nl

Foto: Henk Hulshof

 

0