Gerda Ovezall - Klaassen

Het is acht uur als ik de kamer binnenstap. Aan tafel zit een gemêleerd gezelschap te genieten van koffie met een brownie. Er wordt een stoel bijgezet en een kopje gevuld. De zoete lekkernij sla ik vriendelijk af. In deze gemoedelijke sfeer maak ik voor het eerst kennis met Gerda, haar kleinzoon, haar zoon Marc en diens collega. Ik kijk naar Gerda en zie een vrouw in een keurige pantalon met daarop een coltrui en een vest. Daaronder draagt zij nette, comfortabele schoenen. Wat opmerkelijke sieraden maken haar outfit af en geven het geheel iets stijlvols. Ze doet me denken aan mijn oma uit Den Haag. Zij zag er op haar zesentachtigste levensjaar ook nog steeds uit om door een ringetje te halen.

Na de koffie trekken Gerda en ik ons in een aangrenzende kamer terug. In het gedimde licht neemt Gerda plaats op een comfortabele bank en ik op de stoel schuin ertegenover. Marc brengt ons nog een glas water en dan stel ik de eerste vraag. Gerda geeft aan dat het nog wat onwennig voelt. Ze weet niet precies wat er van haar wordt verwacht. Al snel is hier niks meer van te merken en neemt ze mij mee naar ruim zestig jaar geleden. Ze schetst het beeld van de jonge vrouw die zij toen was. Net afgestudeerd en werkzaam bij een toonaangevend scheikundig lab.

‘Mijn eerste baan was direct als scheikundig analist bij het Isotopenlaboratorium in Amsterdam. In dit laboratorium hebben ze de isotopen ontdekt. Dit zijn de atomen van hetzelfde chemische element.  Tegenwoordig gebruiken ze deze uitvinding in de medische wereld nog dagelijks bij de bestralingen. Daar in het lab heb ik ook mijn man leren kennen.’ Haar mondhoeken krullen iets omhoog. ‘Hij werkte in het elektronisch laboratorium en ontwierp röntgenapparatuur. Ik was eenentwintig, maar herinner het nog als de dag van gisteren. De toenmalig directeur professor Bakker kreeg een baan in het kernfysisch instituut in Zwitserland. Bij zijn afscheid voerden we een cabaret op. Beiden deden we daaraan mee en zo hebben we elkaar ontmoet.’ Ik zie een zachte liefdevolle blik in haar ogen. ‘We hadden veel gemeen. Beiden geboren en getogen Amsterdammers. Hij toonde veel belangstelling, speelde heel redelijk piano en hij fotografeerde. Er waren veel onderwerpen waar we, zeker in de begintijd, urenlang over konden praten. Mijn man, Kasper, had wel een moeilijk karakter. Ik dacht toen nog dat hij door de jaren heen wel wat milder zou worden.’ Gerda kijkt me recht aan. Haar mondhoeken krullen zich wel weer iets omhoog, maar haar ogen glimlachen dit keer niet mee.

‘In die tijd hadden mijn ouders de Keizersgracht al ingeruild voor Bussum. Het gezin waarin ik ben opgegroeid bestond uit een biologische broer en twee kinderen uit een eerder huwelijk van mijn vader. Mijn ouders woonden in Bussum op een fijne plek. Ik heb hier zelf als twintiger ook gewoond. Voor mijn werk kwam ik nog dagelijks in de stad. Enkele jaren na de eerste ontmoeting met mijn man zijn we getrouwd en ging ik naar Amsterdam terug. We woonden driehoog en werkten nog steeds beiden voor hetzelfde bedrijf. Pas toen onze dochter, Odette, werd geboren ben ik gestopt. Anderhalf jaar later kwam Marc. Al op jonge leeftijd ontdekten ze bij Odette astmatische bronchitis. Om haar een betere leefomgeving te geven zijn we opzoek gegaan naar een woning in een straal van honderd kilometer om Amsterdam heen. Zo zijn we in Alphen aan de Maas terechtgekomen. Dit dorpje lag op negentig kilometer afstand.’ Haar grijze ogen lachen me vriendelijk toe. ‘We kochten een oude boerderij aan de Maasdijk. In de eerste jaren woonden we hier alleen in de weekenden. Het duurde acht jaar voordat mijn man het volledig had verbouwd.

Het huis stond behoorlijk afgelegen. Toen we het voor het eerst betraden was het echt een bouwval. De vijfentwintighonderd vierkante meter grond eromheen lag volledig braak. Na verloop van tijd hebben we er een moestuin en siertuin aangelegd en behoorlijk wat fruitbomen en vruchtenstruiken geplant. Het grasoppervlakte was zo groot dat ik er in de zomer een dag in de week mee kwijt was om het te maaien. De oogst aan groente en fruit werd allemaal ingemaakt en zo aten wij het hele jaar door vers uit eigen tuin. Kasper is altijd in Amsterdam blijven werken en alhoewel ik mijn werk vreselijk miste haalde ik veel voldoening uit de taken die ik in en om de boerderij vervulde. Voor iemand uit de randstad was Alphen wel echt in the middle of nowhere. De mensen daar waren ook geen stadse mensen gewend. Ik zette me wel in voor school. Ik zag duidelijk de verschillen tussen het onderwijs in Amsterdam en hier. Waar ik kon probeerde ik als klassen-assistent iets bij te dragen, maar voor de rest hield ik wijselijk mijn mond.’

‘Alphen was een fijne plek. De mooiste plek waar ik ooit heb gewoond. Ik genoot van het buitenleven en ik voelde me bevoorrecht. Ik was veel alleen met de kinderen. Dit heeft onze band goed gedaan.’ Twee stralende ogen en een warme blik. ‘Ik heb me ook wel eenzaam gevoeld hoor. Het was soms ook een opgave. Iedereen in het boerendorp wist wie wij waren, maar ik kende niemand. Dat wil zeggen, ik had met niemand een vriendschappelijke band. Daarvoor waren de verschillen te groot. Ik miste de bibliotheek, de schouwburg en het zwembad. Op cultureel gebied liep ik behoorlijk achter. Om wat contacten op te doen ben ik bewust bij de vrouwenbond gegaan. Het dorp was streng katholiek en ook al waren wij dat niet, ik werd er wel geaccepteerd.’

‘In 1993 en 1995 hebben we van heel dichtbij de watersnoodramp meegemaakt. In het Land van Maas en Waal bereikte het water een recordhoogte. Onze tuin grensde aan de Maas, maar een doorbraak van de dijken langs de Waal was onze grootse angst. Alphen ligt op het diepste punt van die regio. Ze voorspelden dat ons huis tot aan de tweede verdieping onder water kon komen te staan. Er vond een grote evacuatie plaats. Wij bleven in het huis, maar hadden een boot in onze achtertuin. Ik voelde me een ridder te voet. We konden nergens heen en ik betwijfel of die boot ons had kunnen redden.’ Ze recht haar rug en haar ogen staan wijd open. ‘Het huis was ons kapitaal. Daar hadden we in geïnvesteerd. Als het mis was gegaan waren we alles kwijt. Gelukkig hadden we een engeltje op onze schouder en bleef een echte ramp uit.’ Bij deze laatste woorden komt er zichtbaar wat spanning vrij. Gerda ademt nog eens diep in en leunt dan weer wat meer naar achteren tegen de kussens van de bank.

‘In de jaren zeventig ontwikkelde zich een nieuwe liefhebberij. Ik raakte geïnteresseerd in stenen en fossielen. Ik heb me destijds zelfs aangesloten bij een geologische vereniging. Ik vond het heerlijk om mee op excursie te gaan. Ik heb menig steengroeve in Europa gezien. Meer dan dertig jaar heb ik, gewapend met helm, beitel en hamer, mijn eigen stenen verzameld. Tot over de tachtig jaar heb ik dit met veel plezier gedaan.’ De twinkeling in haar ogen en het knikje spreken boekdelen. ‘Gebergtes en vulkanen interesseren me mateloos.

Zelfs tijdens de vakantie met het gezin bezochten we de grotten. Ik weet nog goed dat de kinderen ten tijde van de middelbare school achterin de auto zaten in Frankrijk. Zodra ze dan een bord zagen van een groeve wezen ze me bewust iets aan wat aan de andere kant stond van de weg. Ik kan daar nog altijd hartelijk om lachen.’

‘Pas na mijn vijftigste ben ik de stenen ook zelf gaan slijpen. Ik ben in de leer gegaan bij een bekende edelsmid, Joop Falke. Hij heeft me de kneepjes van het vak geleerd. Mijn man vond het geweldig dat ik zilversmid werd. Vanwege de techniek kon hij dit enorm waarderen.’ Gerda laat me trots de sieraden zien die zij vandaag draagt. Een zilveren schakelarmband waarbij de schakels voorzien zijn van een soort kruis. Een bijzondere vorm ketting met barnsteen erin verwerkt en in haar ring zit een grote jaspissteen.

‘Zo’n twintig jaar geleden zijn we van Alphen naar Oss verhuisd. De boerderij werd te groot voor ons om te onderhouden. Sinds twee jaar wonen we nu in ‘de Wellen’. Ken je dat?’ Gerda kijkt me vragend aan. Ik schud mijn hoofd. ‘Nee sorry, dat ken ik niet’, antwoord ik beleefd. ‘De Wellen is een verzorgingstehuis. Mijn man zit daar nu op de gesloten afdeling en ik woon in een piepklein flatje een paar honderd meter verderop. Ik kan zelfs binnendoor lopen als ik dat wil.’ Haar blik verstrakt. Haar handen vouwen zich in haar schoot ineen en ik zie haar ogen vochtig worden.

Dan komt Marc ons halen voor de foto. Van de een op het andere moment verandert haar gezicht van bedroefd naar open en stralend. Ze lacht naar haar zoon en achter hem aan loopt ze naar de woonkamer. Ze neemt plaats op de fauteuil voor het scherm. Ze schuift wat op en neer en moet wennen aan deze vorm van aandacht. Henk, de fotograaf, stelt haar gerust en geeft haar een compliment. Marc maakt grapjes om zijn moeder aan het lachen te maken en dat werkt. Binnen enkele minuten staat de foto erop. We lopen terug naar de werkkamer en vervolgen ons gesprek. Gerda neemt nog een slokje water en met het glas nog in de hand pakt ze de draad moeiteloos weer op.

‘Nu woon ik dus in een aanleunwoning. Door deze laatste verhuizing heb ik van vrijwel al mijn boeken en stenen afscheid moeten nemen. Van een grote kast vol heb ik nu nog slechts een boekenplank over. De laatste jaren waren zwaar. Zo’n acht jaar geleden begon mijn man te dementeren. Het sloop er heel langzaam in. Het begon met tekenen van vergeetachtigheid.  Langzaamaan kon hij niet meer alle gesprekken volgen. Hij begreep niet meer waar het over ging. Het meest opvallendste vond ik het moment waarop ik ontdekte dat hij was vergeten hoe een bepaald elektronisch apparaat werkte. Kasper had hier toch zijn hele leven mee gewerkt. Daarna zag ik dat hij steeds minder goed kon autorijden. Hij nam steeds minder initiatieven en werd neerslachtig. Nu was hij altijd al wel wat bozig, maar de vergeetachtigheid zorgde ervoor dat hij nu nog eerder in opstand kwam. Inmiddels is hij vrijwel continu gefrustreerd. Hij verwijt mij van alles en geeft me geregeld de wind van voren.’ Ik zie dat ze iets verder naar voren is komen zitten. Haar knokkels worden steeds lichter van kleur, zo hard knijpt ze in haar handen.

‘Jarenlang heb ik hem nog thuis verzorgd. Zelfs toen hij incontinent werd deed ik vrijwel alles zelf. In de ochtend kwam er iemand om hem aan te kleden en te douchen, maar de rest van de dag stond ik er alleen voor. Op de dag dat mijn man het tehuis inging was ik helemaal op. Ik ben letterlijk in elkaar gestort en naar het ziekenhuis gebracht. Mijn man was veeleisend. Ik probeerde het wat te omzeilen, maar ik sliep niet meer en was compleet opgebrand.’

‘Het moeilijkste was om mijn man zo te zien afglijden. Hij uitte dit in boosheid. Ik werd in de verdediging gedrukt en ik probeerde me steeds weer opnieuw te positioneren. De dag dat hij werd opgenomen is vreselijk voor hem geweest. Een man met aanzien die een geweldige baan had als leidinggevende kwam nu op een kleine kamer terecht en kon zijn eigen naam niet meer onthouden. Hij neemt het mij kwalijk dat hij daar zit.’ Gerda kijkt naar het tapijt en schuift wat op en neer. ‘Hij ziet zelf niet in dat hij zorg nodig heeft. Laatst klampte hij zich aan me vast. ‘Gerda, Gerda, ga niet weg’.  Ik kwam die dag huilend thuis.’

Ik zie haar lip trillen en dan houdt ze haar verdriet niet langer tegen. Terwijl ze zachtjes doorpraat zie ik in het wit van haar ogen rode adertjes verschijnen. De tranen rollen langzaam over haar wangen en vallen één voor één in haar schoot. Ik krijg een brok in mijn keel en probeer ergens anders aan te denken. ‘Ik trek bewust een jas aan als ik naar hem toe ga, zodat hij niet weet dat ik op een steenworp afstand bij hem vandaan woon. Ik heb zoveel medelijden met hem. Ondanks alles heeft hij nog een behoorlijk bewustzijn van de situatie. Dit terwijl hij op de afdeling zijn eigen kamer of het toilet nog niet kan vinden.’ Met betraande ogen kijkt ze me aan.

‘Ik kan nu niks meer met mijn man delen. Ik kan er alleen maar voor hem zijn. Ondanks zijn grillen heb ik altijd van hem gehouden. We hebben zo ontzettend veel samen beleefd. Hij heeft ervoor gezorgd dat de kinderen en ik niks te kort zijn gekomen. Als ik het voor het kiezen had dan zou ik het zo weer overdoen.’

‘De laatste twee jaar krijg ik weer wat meer lucht.’ Ik zie een glimlach door haar tranen heen. ‘De familieband is gelukkig enorm hecht. De steun van mijn kinderen doet me erg goed. Ik ben ontzettend trots op ze. We bellen veel en zien elkaar zo vaak mogelijk. Mijn kleinkinderen Zenz, Nougy en Ward zijn echte lieverds. Ze werken hard op school en doen het goed. Ik vond de momenten waarop Odette en Marc zelf kinderen kregen fantastisch om mee te maken.’ Er volgt een korte pauze en Gerda neemt nog snel een slokje. ‘Ik ben ook weer begonnen met lezen. Zo lees ik bijvoorbeeld nog geregeld over mijn werk als scheikundige. Hier geniet ik van. Langzaam, heel langzaam begin ik zelf weer wat meer te leven en dat voelt goed.’

Met een omhelzing nemen we afscheid.

Ik stap in de auto. Op de hoek van de straat rollen de tranen al over mijn wangen. Wat een bewondering heb ik voor deze vrouw. Wat een kracht. Ik voel emoties van dankbaarheid en verdriet door elkaar heen. Verdriet om haar leed en dat van haar man en dankbaar voor het feit dat ze haar verhaal met me heeft willen delen.

Tekst: Sandy Theunissen; www.hetportretvan.nl


Foto: Henk Hulshof 


Henriëtte Barsch

Henriëtte Barsch

Op de achterdeur hangt een briefje met daarop in een sierlijk kinderhandschrift: ’Welkom’ en precies zo voelt het als ik het huis op de Leostraat betreed. Enthousiast komt Henriëtte op me afgelopen. ’Hai Sandy, wat fijn dat je er bent!’ We geven elkaar drie zoenen op de wang. ‘Wil je koffie?’ ‘Heerlijk’, zeg ik en ik loop met haar mee naar de keuken. ‘Lust je een beschuitje met aardbeien?’ Ze haalt het doosje uit de koelkast. ‘Deze zijn van Hollandse bodem en komen zo vers van het land.’ Stralend kijkt ze me aan. Deze lekkernij kan ik niet weigeren. Ik zie hoe Henriëtte zorgvuldig de beschuitjes smeert, de aardbeien wast en ze vervolgens in gelijke plakjes snijdt. Met een dienblad in de hand en druk kletsend beklimmen we de trappen. Het trapgat hangt vol met eigen werk en ik kijk mijn ogen uit.

Boven in het atelier lijkt Henriëtte wel te transformeren. Haar stem wordt zachter, de handgebaren nemen af en het tempo vertraagt. Ik kijk rond in de voor mij nog onbekende ruimte. In de gauwigheid tel ik wel acht verschillende ezels. Aan een kant van de kamer staan diverse doeken naast en achter elkaar. De tubes verf, kwasten en andere materialen liggen netjes gesorteerd in bakken en potten in een open kast. Trots kijkt ze om zich heen. ‘Dit is mijn domein. Hier voel ik me thuis en kan ik volledig mezelf zijn.’ Ze loopt naar een doek met daarop een eerste opzet van een olifant. Ze gaat ernaast staan en raakt het voorzichtig aan. De kop is al goed zichtbaar en is opgebouwd uit verschillende tinten helderblauw. Niet direct de kleur die je zou verwachten, maar juist dat is het mooie eraan. Henriëtte legt uit dat ze aan het experimenteren is om te schilderen met enkel en alleen de primaire en secundaire kleuren. ‘Voorheen schilderde ik met name in realistische tinten, maar hier wijk ik nu vanaf en tot nu toe bevalt het goed.’

Dit schilderij is gemaakt van olieverf. Ik werk met allerlei verschillende materialen, maar olieverf blijft toch wel mijn voorkeur hebben. De pasta-achtige substantie, de geur en er zijn zo veel technieken mee mogelijk. Deze olifant is niet de eerste die ik schilder. Het is wel echt mijn favoriete onderwerp. Ik kan het niet helpen, maar dat dier is zo groot en sterk. Hij straalt kracht uit, heeft een goed geheugen en is enorm intelligent. Het heeft iets machtigs.’ Er verschijnt een twinkel in haar ogen. ‘Tot nu toe heb ik ze alleen nog maar in een dierentuin gezien. Het is een droom om ooit nog eens op safari te gaan, maar ik acht die kans vrij klein. Misschien dan toch nog maar een keer naar Engeland. Dat is een compleet andere reis natuurlijk, maar daar is het ook prachtig. We zijn er inmiddels al zo’n tweeëntwintig keer geweest. Ik heb er echt mijn hart aan verknocht.’

De liefde voor beeldende kunst zat er al vroeg in. ‘Vroeger hing er bij ons thuis een schilderijtje aan de muur niet groter dan een standaard fotoformaat. Ik kan me nog herinneren dat ik als 4-jarig meisje op de fauteuil van mijn vader klom om het schilderijtje goed te kunnen zien. Langzaam ging ik dan met mijn vingertoppen over de bobbelige verf. Ik keek naar het winterse tafereel van een boer en een boerin die een vuurtje stoken in het bos. Bij het kleine oranje streepje hield ik mijn hand dan even stil. De vlammen fascineerden me het meest. Zo’n klein streepje, maar onmiskenbaar het vuur. Niet voor niks is mijn eerste schilderij een boerenlandschap.’ Henriëtte glimlacht en wijst naar het tableau dat op de grond tegen de kast aanstaat.

‘Een jaartje later mocht ik voor mijn kleuterjuf, tevens kunstenares, model zitten. Ze tekende mijn portret en ik was verkocht. Daar ter plekke is mijn liefde voor het tekenen ontstaan. Ik weet nog heel goed dat ik toen dacht: ‘Dit ga ik later ook doen.’ Mijn eerste expositie volgde tamelijk snel. Ik was acht toen ik een mozaïek tekende van wasco. Een kruisbeeld nog wel.’ Henriëtte lacht. ‘Dat zou ik nu niet meer doen. Het werkje heeft een poosje op een tentoonstelling gehangen. Onwijs spannend om het daar zo te zien, maar het voelde tegelijkertijd ook zo goed. Toch heeft het vervolg nog even op zich laten wachten.’

De telefoon gaat: ‘Hai lieverd met mama. Oh leuk. Ja wat goed zeg.’ Hoor ik haar met een warme stem zeggen. ‘Zeg Henriëtte mag ik je zo even terugbellen. Sandy is hier nu voor het interview. Ja heel erg leuk. Je leest het wel als het af is. Oh wat fijn. Nou dag lieverd. Ik houd van je! Tot straks.’Henriëtte legt de telefoon neer. Haar blik blijft nog een paar seconde op het toestel gericht. Dan kijkt ze me recht aan en zegt: ‘Ondanks dat schilderen echt mijn passie is geniet ik nog wel het allermeest van de kinderen en kleinkinderen. Ze wonen niet om de hoek, maar we zien ze gelukkig regelmatig. De kleinkinderen komen vaak logeren en dat is altijd zo’n feest. Laatst heb ik gewoon een hele middag hierboven gezeten. Ik had een bak met knopen omgegooid en die hebben we met draad en naald aan oude lappen stof genaaid. Zo simpel, maar het was zo kneuterig en fijn. Jaarlijks gaan we ook met ieder gezin een weekendje weg. Het is zo lekker om ze dan de volle aandacht te kunnen geven. Dan voel ik me zo trots en gelukkig.’ Haar ogen staan vol liefde en ik voel de mijne vochtig worden. Een kort moment spreken we zonder woorden.

Dan zijn we weer terug in het hier en nu en gaat Henriëtte verder. ‘Ik ben altijd blijven tekenen en creëren. Na de basisschool heb ik de mulo gedaan. Mijn vader was heel lang bakker. Daar heb ik warme herinneringen aan. Zelf wilde ik heel graag het onderwijs in, maar mijn ouders besloten dat het beter was als ik in de winkel kwam werken.’ Henriëtte’s ogen staan doffer dan zoeven en haar kaken verstrakken. We hadden thuis een groot gezin en er moest toch brood op de plank. Op het terrein waar nu de grote modewinkel ‘van Tilburg’ is gevestigd, hadden mijn ouders vroeger de eerste supermarkt van Nistelrooi. Daar heb ik dus jaren gewerkt.’ Henriëtte kijkt even van me weg.

Dan herpakt ze zich en gaat verder met haar verhaal. ‘Op mijn zeventiende leerde ik Albert kennen.’ Haar ogen krijgen weer wat meer kleur en haar mondhoeken krullen iets omhoog. ‘Drie jaar later zijn we getrouwd. De eerste periode hebben we bij zijn ouders ingewoond. Nijmegen was echt een verademing voor mij. Ons eerste huis was een flatje, driehoog in Heesveld. Ik ben tijdelijk ergens op een kantoor aan de slag gegaan en we waren zielsgelukkig. Binnen een jaar werd ik zwanger van Henriëtte. We zijn toen van Nijmegen naar de Heilige Stoel in Wijchen verhuisd. Daar hebben we dus vier jaar naast jouw ouders gewoond.’ Ze schenkt me een warme glimlach. Robbert kwam en na een paar jaar zijn we op de Kraaijenberg terechtgekomen. Daar hebben we het maar liefst tweeëntwintig jaar volgehouden en nu dus hier.’ Ze spreidt haar armen om aan te geven dat hier ook echt hier is. ‘Dit huis is echt een fijne plek en Alverna voelt ontzettend goed. Albert en ik zijn hier erg gelukkig, net als met al het andere wat we samen delen. Kun je het geloven, we zijn inmiddels al ruim vijfenveertig jaar getrouwd. Allebei doen we lekker ons ding en we laten elkaar volledig vrij. Tegelijkertijd genieten we ook van het samen zijn. Ja ik ben wel echt dol op hem.

Op het moment dat de kinderen ouder werden ben ik gaan poetsen en uiteindelijk kwam ik bij La Verna terecht. Ik kan me nog herinneren dat ik op de fiets naar het bejaardentehuis toe gewoon droomde van kwasten en schilderen. Zo miste ik het en toen sloeg het noodlot toe. Door een val bij vrienden in de garage kwam ik met ernstige rugklachten thuis te zitten. Dagelijks had ik hevige pijn. Zeventien jaar lang heb ik medicatie geslikt, ben ik naar fysiotherapie geweest en noem het maar op. Conclusie van de artsen: scoliose, slijtage en een instabiele rug. Net op het moment dat ik dacht dat ik echt alles had geprobeerd verwees een goede vriendin mij door naar een chiropractor. Door hem belande ik onverwachts van de hel in de hemel. Hij heeft het voor elkaar gekregen dat ik nu al jarenlang van mijn klachten af ben. Ik zie hem nu al tien jaar.’

Henriëtte schenkt de kopjes nog een keer vol. ‘Het ongeluk was in 1991. Albert werkte in die tijd wel zeventig uur per week. Ik heb die periode benut door bij mezelf te rade te gaan wat ik nou echt wilde gaan doen. Na enkele jaren besloot ik om mijn hart te gaan volgen. Zo ben ik op drieënveertigjarige leeftijd bij de Lindeberg nog een opleiding gaan doen.’ Haar ogen glimmen. ‘Na drie jaar heb ik mijn diploma’s behaald voor tekenen en schilderen. Aansluitend heb ik nog een jaar ‘portret en model’ gedaan. Ik kreeg vakken als kunstgeschiedenis, de diverse stromingen kwamen aan bod en uiteraard veel praktijkinformatie. Iedere week kregen we een huiswerkopdracht en geloof me die waren behoorlijk uitdagend. Zo kregen we een keer een opdracht mee waar licht, beweging en compositie in moest zitten, maar het mocht niet worden geschilderd.’ Later zie ik het resultaat beneden aan de muur hangen. Het zijn een aantal clowntjes diagonaal op een rij, de kleuren gaan van licht naar donker en de armen lopen in elkaar over. Wat een creativiteit.

‘Na de opleiding ben ik begonnen met lesgeven. In 2006 heb ik ‘de Kleurencirkel’ opgericht. Dit is een vereniging in het dorpshuis de Oase. In ruil voor een contributie geef ik daar les aan meestal wat oudere mensen. Verder komen er meerdere keren per week wat groepjes mensen hier naar het atelier. Ik word zo ontzettend blij om de kennis die ik zelf heb opgedaan te delen met mensen die ook genieten van het vak.’ Ze glundert hierbij van oor tot oor. ‘Het is innoverend en zo persoonlijk wat iemand in een schilderij kwijt kan. Het is niet voor niks dat de gemoedstoestand van iemand invloed heeft op de kleur van dat moment. Ik vind het heerlijk om de cursisten uit te dagen. Ik geef veel positieve kritiek, gerichte opdrachten en ik stuur vooral op het proces.

Er gaat bijna geen dag voorbij waarin ik niet zelf even de kwast oppak. Al is het soms maar voor tien minuten. Het lukt helaas niet altijd, maar die dagen zijn gelukkig wel zeldzaam.’ Ze kijkt naar het werk schuin achter zich. ‘De stijl waarin ik het liefst schilder is toch wel het impressionisme. Vandaar ook dat Renoir wel een van mijn favoriete schilders is. Zijn stijl spreekt me het meest aan. Ken je hem?’ Nog voordat ik antwoord kan geven pakt Henriëtte achter zich een boek en laat ze me wat werken van hem zien. Ik zie meisjes in zwierige jurken compleet met parasols, bootjes met elegante vrouwen, landschappen in pasteltinten en ga zo maar door. ‘Deze stijl spreekt me vooral aan, omdat je hierin zo mooi met het licht en de schaduw kan spelen. Het is een impressie die op een realistische manier is weergegeven.’

Dan kijken we op de klok en zien we dat we al ruim twee uur in gesprek zijn. De tijd is voorbijgevlogen. We lopen naar beneden en onderaan de trap zie ik nog een prachtig kunstwerk staan. Het is een houtblok met op de ene kant een olifant en aan de andere kant een vlinder. Het staat op een pilaar voor de spiegel, zodat je het contrast van kracht en kwetsbaarheid in een oogopslag kunt zien.

Ik bedank Henriëtte voor haar openheid en het fijne gesprek. Zo bijzonder dat ik haar al mijn hele leven ken en haar nu pas voor het eerst echt heb gezien. We geven elkaar een dikke knuffel en vol nieuwe indrukken loop ik naar buiten.

 

Tekst: Sandy Theunissen; www.jouwtekstschrijver.nl

 

Foto: Henk Hulshof


Arie Spanjaard

Karakterportret Arie Spanjaard

Het is een gure herfstdag. Code rood, flinke windstoten en fikse buien. Gelukkig woont Arie op loopafstand en is het me gegund om droog te arriveren.

Villa Mes blijkt een prachtig appartementencomplex te zijn. Het is gelegen aan het spoor en dankt zijn naam aan de vroegere Meshallen. Inmiddels is het bedrijf verhuisd naar de Nieuweweg en heeft het zijn naam veranderd in Eromes. Het schoolmeubilair is met zijn tijd meegegaan en heeft de crisis overleefd.

Het appartement van Arie is gelegen op de tweede verdieping. Vanaf de voordeur kijk je over een balustrade, richting het spoor zo op de binnentuin. De tuin vol zitjes en palmbomen straalt een gemoedelijke sfeer uit. Het lijkt mij een fijne plek om zo samen oud te mogen worden. Eenmaal binnen valt het mij op dat alles er netjes en verzorgd uitziet. Moderne meubels en de muren zijn nog hagelwit. Arie vertelt dat ze onlangs nog alles hebben laten opknappen en dat is te zien.

We nemen plaats aan een houten tafel. De koffie pruttelt en al snel zitten we verzonken in het gesprek. ‘Ik ben een geboren en getogen Alvanees, opgegroeid in de Watersnipstraat van Alverna’, begint Arie zijn verhaal. ‘Ik ben de vijfde uit een rij van acht kinderen en heb een goede jeugd gehad. In die tijd was alles nog veel gemoedelijker. Je kende iedereen en kon zo bij alle buurtgenoten naar binnen lopen. De mensen waren wat vriendelijker dan vandaag de dag en het saamhorigheidsgevoel was groot. Ik herinner me vooral dat er in onze straat veel grote gezinnen woonden. Er was altijd iets te doen en we verveelden ons nooit.

De dagen hadden veel structuur. Je wist precies waar je aan toe was. Zo stond bij ons om klokslag vijf uur het eten op tafel. Mijn vader was bouwvakker en zodra hij thuiskwam nam hij plaats aan het hoofd van de tafel. Met de klok mee schepte hij het eten op. Het kwam weleens voor dat er bij de achtste kind niks meer in de pan zat. Dan stond mijn moeder vlug op en moesten we allemaal een schepje doneren om het achtste bord alsnog te vullen. Arie lacht. ‘We sliepen met 4 jongens op een kamer en dat ging altijd goed. We wisten ook niet beter.’ Ik zie zijn kaken wat verkrampen als hij uit het niets zegt. ‘Mijn vader is tweeënveertig jaar geleden gestorven en mijn moeder is inmiddels al zesentwintig jaar dood. Daarbij komt dat één van mijn broers op negenvijftig jarige leeftijd is overleden aan kanker. Deze drie personen zijn wel een groot gemis.’ Dan lijkt hij weer iets meer te kunnen ontspannen. ‘Met mijn overige vijf broers en een zus heb ik een prettig contact. Ze wonen allemaal in de buurt.’ Ik kijk hem recht aan en knik hem bemoedigend toe om hem te laten weten dat ik heb gehoord wat hij me zojuist heeft verteld.

Bij binnenkomst viel het mij op dat de televisie aanstaat en nog steeds hoor ik op de achtergrond zachtjes een sportverslaggever zijn commentaar geven op een wedstrijd. Ik kijk even om en wijs naar de t.v. ‘Was je deze wedstrijd aan het volgen?’ Arie beaamt mijn vermoeden, maar geeft direct aan dat hij deze al heeft gezien. ‘Ik kijk naar vrijwel alle sporten. Daar ben ik altijd al gek op geweest en dat zal ook wel zo blijven.’ Er verschijnen wat lachrimpels om zijn mond en ogen. ‘Sport heeft altijd al een grote rol in mijn leven gespeeld. Vroeger al speelden we met een stel jongens voetbal op het veldje naast de tuin van Dien Buuk. Dien was een oud vrouwtje wonend aan de Graafseweg ter hoogte van Umberto. Daar op de berg en op het veld hebben we heel wat uren doorgebracht. Dien werd niet vaak ontzien. We hielden haar geregeld voor de gek en zij trapte er altijd weer in. Arie gniffelt en ik wed dat het dezelfde gniffel is als toen. ‘Ik voetbalde trouwens toen ook al bij de club Alverna. Ik ben daar later ook jarenlang jeugdleider geweest en nog steeds sta ik bij alle thuiswedstrijden van het eerste langs de lijn. Net als bij AWC overigens.’ Hij glimlacht.

‘In mijn puberteit kwam ik geregeld bij het KWJ, de vereniging voor Katholieke Werkende Jeugd. Zij richtte zich in eerste instantie op culturele activiteiten voor jongeren. Op woensdagmiddag en in de weekenden werd er muziek gedraaid. Je kon er darten, tafeltennis spelen, biljarten en zo nu en dan werd er een disco georganiseerd. In die tijd is ook mijn liefde voor biljarten ontstaan. Inmiddels speel ik al jarenlang bij de Katholieke Bond voor Ouderen een competitie in de regio. Zo’n twee a drie keer per week ben ik ergens aan het oefenen. Door me te focussen op de bal kan ik me ontspannen en doe er aardig wat sociale contacten mee op. In de crisistijd ben ik mijn baan als bouwvakker verloren en in 2002 heb ik een hartinfarct gehad. Dit alles maakt het dat ik nu al jarenlang thuis zit. Een reden te meer dat ik het heerlijk vind om te biljarten en naar het voetballen te gaan. Zo is mijn wekelijkse donderdagochtend ook heilig. Deze traditie is drie jaar geleden ontstaan. Met twee goede vrienden, Jan Peters en Eef Evers drink ik koffie bij Café Anneke. Vaak in het gezelschap van vrouwen, kinderen en kleinkinderen. We drinken een paar kopjes en eten verse kibbeling van de markt. Dat is wel echt een genietmoment.’ Zijn lichaamstaal spreekt boekdelen en zet zijn woorden kracht bij.

‘Zelf heb ik geen kinderen. Mijn vrouw Joke en ik hebben hier heel bewust voor gekozen. Wat best bijzonder was voor die tijd. We zijn wel gek op kinderen hoor en passen regelmatig op de kleintjes van mijn schoonzus. Zelf vermaken wij ons uitstekend met z’n twee. Dit houden we nu al zo’n 45 jaar vol.

In 1972 hebben we elkaar in het ziekenhuis leren kennen. Dat is nog wel een bijzonder verhaal’, zegt Arie. ‘Ik lag daar zes weken plat op een donkere kamer. Op mijn achttiende ben ik op mijn werk namelijk zomaar in elkaar gezakt. Ik ben eerst nog naar huis gegaan, maar uiteindelijk ben ik met de ambulance naar het CWZ gebracht. Daar bleek uit de scans dat het een hersenbloeding was. Het gevolg was dat ik drie weken alleen op een donkere kamer moest liggen en met donker bedoel ik ook echt donker. Dus de gordijnen dicht, plat op een bed en geen enkele afleiding om de dag mee door te komen. Ik heb die dagen voornamelijk slapend doorgebracht. Hij is even stil en kijkt me aan. ‘In die tijd heeft mijn jongste broer zich ook verbrand. Hij lag met grote brandwonden in zijn gezicht op een andere afdeling. Als mijn moeder dan op bezoek kwam ging ze van de een naar de ander. Na de eerste drie weken kwam ik op een kamer te liggen met een man uit Horssen. Joke kwam geregeld bij hem op bezoek en zo hebben we elkaar leren kennen. Na mijn herstel kwam ik haar op de Wijchense kermis weer tegen en kregen we verkering. Horssen was voor mij geen optie, want Wijchen is echt mijn thuis. Op wat mooie vakanties in Zuid-Spanje na, wil ik hier echt nooit meer weg. Gelukkig heeft Joke zich hier in het begin van ons huwelijk al bij neergelegd.’ Hij kijkt even op naar zijn vrouw die hem vanaf de kamer toelacht.

Met deze mooie anekdote sluiten we af. De koffiepot is leeg en de koek is op. Ik bedank Arie voor het gesprek en als ik nou goed doorloop kom ik nog voor de regenbui thuis.

Tekst: Sandy Theunissen; www.jouwtekstschrijver.nl

Foto: Henk Hulshof

 


Henk Peereboom

Karakterportret Henk Peereboom

Hoe zal het leven eruitzien als iedere dag hetzelfde is? Alle dagen van het jaar bestaan uit een opeenstapeling van een reeks vooraf bepaalde handelingen. De enige variatie is de invulling van de momenten die van tevoren nog niet zijn ingevuld. Zo ziet, in een notendop, het leven van Henk Peereboom eruit. De dagen beginnen en eindigen altijd met dezelfde rituelen. Tussendoor geeft hij, afhankelijk van de dag, een vast patroon aan de invulling.

Wie nu denkt dat zijn leven saai is, die heeft het goed mis.

Enkele maanden geleden trof ik hem aan in de bibliotheek. Hij zat daar verzonken in de krant. Naast hem stond een schoteltje met een appel erop. Behoedzaam sneed hij er stukje voor stukje een partje af en stopte die in zijn mond. Fascinerend om te zien hoe deze man daar volkomen in zijn element zat te genieten van zijn krant en de stukjes fruit. Het straalde rust uit.

Bij onze tweede ontmoeting vertelt Henk dat hij iedere dag op hetzelfde moment een appel eet. Ongeacht waar hij is of wat hij doet, er gaat standaard een appel mee in zijn tas.

De ochtenden beginnen punctueel. Om 7 uur staat hij naast zijn bed. Vervolgens lucht hij het beddengoed. Dan zet hij water op voor zijn dagelijkse bordje pap. Ondertussen wast hij zich en bereid hij zijn tai chi-les voor. Henk vertelt mij dat hij deze Chinese vechtkunst beoefent voor zijn houding. ‘Mijn motoriek is een aandachtspunt en niks gaat gedachteloos. Zodra de bewustwording verslapt moet ik gaan opletten.’ Hij kijkt me vriendelijk aan en weer voel ik de rust die hij uitstraalt. ‘Om half 8 begint de tai chi en daarna eet ik mijn ontbijt.’

Ik vraag hem hoe hij zijn leven tot nu toe heeft ervaren.

‘Met mijn leeftijd van 78 jaar heb ik de oorlog nog heel bewust meegemaakt. Zo herinner ik me bijvoorbeeld nog steeds het geluid van glasgerinkel tijdens de bombardementen. Bij de buren zat een gat in de heg waar we doorheen konden vluchten als de Duitsers kwamen. De bevrijding was een ongelofelijke gebeurtenis. Op de dag van de bevrijding liep ik aan de hand van mijn vader op de muziek en het gejuich af. Als ik mijn ogen sluit dan zie ik de Amerikanen zo weer zwaaiend over de brug aan komen lopen. Het was een prachtige dag.’ Zijn blik staat even afwezig. Zonder zijn ogen te sluiten, is hij in gedachte toch weer bij dat ene, bijzondere moment.

Na een korte stilte vervolgt hij zijn verhaal. ‘Ik ben er eigenlijk wel trots op om een oorlogskind te zijn. Het heeft me ook veel goeds gebracht. Ik ben dankbaar voor alles wat me in het leven gegeven is. Ik heb geleerd tevreden te zijn met niets. De grootste genietmomenten zijn vooral de kleine dingen van alledag.’ ‘Zoals het kunnen genieten van de dagelijkse appel’, zeg ik. Henk knikt. ‘Ja dat en nog meer van dat soort eenvoud. Mijn mooiste jeugdherinnering is de opkomst van de radio. Urenlang zat ik dan in een stoel te luisteren. Het haperde en kraakte, maar zodra de radio aanging stond de wereld voor heel eventjes stil. Mijn ouders dronken dan kopjes Buisman die ik dan voor ze mocht zetten. Die geur vergeet ik nooit meer. Ja er was niks, maar we genoten van alles.’ Ik zie een bescheiden glimlach om zijn mond.

‘Ik ben opgegroeid in Maastricht, dichtbij de mergelgrotten. Na wat jaren Heerlen en Venlo kwam ik voor mijn werk in Tiel terecht. Later ben ik samen met mijn vrouw in Appeltern gaan wonen. Door het wandelen van de Vierdaagse heb ik de omgeving van Nijmegen leren kennen. Ik ben op latere leeftijd weer gaan studeren en verhuisd naar Wijchen.

Na de scheiding in 1984 ben ik alleen gebleven. Ik ben altijd al een einzelgänger geweest. Het alleen leven past bij mij. Ik bewandel bewust mijn eigen pad. Je bepaalt uiteindelijk toch zelf de weg en de kracht put ik uit mijzelf. Dit komt me ook goed van pas bij mijn sportieve uitdagingen. De pelgrimsroute, Santiago de Compostella, heb ik bijvoorbeeld in één keer gelopen. Mijn Katholieke opvoeding heeft hierbij ook een belangrijke rol vervuld. Het geloof voelt voor mij als een vorm van verbintenis. Meer heb ik niet nodig.

Eenzaam voel ik me nooit. Ik heb voldoende vrienden en reis met de trein het hele land door. Aan het dialect hoor ik waar ik ben. De dagelijkse structuur geeft me houvast en het leven is goed zo. Ik ben gelukkig, maar met niks in het bijzonder.’ Met deze wijze woorden eindigen we het gesprek.

Eenvoud siert de mens. Ik weet nu wat ze hiermee bedoelen.

Tekst: Sandy Theunissen; www.jouwtekstschrijver.nl

Foto Henk Peereboom

Foto: Henk Hulshof


Gerrit Hulshof

Karakterportret Gerrit Hulshof

 

Het is klokslag tien uur als we op de Hofvoogd arriveren. De eerste lentezon schijnt over Borculo en het belooft een mooie dag te worden. Zoals van oudsher in de Achterhoek gebruikelijk is lopen we via de garagedeur naar binnen. De geur van verse koffie komt ons al tegemoet en uit een kleine transistorradio op het aanrecht klinkt Billy Joel. Zachtjes zingt hij zijn Piano Man en de toon is gezet.

Henk groet zijn ouders en ik maak voor het eerst kennis met dit vriendelijk ogende echtpaar. We lopen door naar de woonkamer en nemen plaats op de bank. Overal om me heen zie ik foto’s en herinneringen die in de loop der jaren bij elkaar zijn gespaard. Truus schenkt onze kopjes vol en we genieten van onze eerste slokjes troost. Na de koffie gaat Henk aan de slag met het klaarzetten van zijn apparatuur en Truus duikt de keuken in. Dit geeft mij de gelegenheid om Gerrit alvast een paar vragen te stellen.

Nog ietwat zoekende begint hij zijn verhaal. ‘Mijn naam is dus Gerrit Hulshof, maar mijn bijnaam is Broer. Ik ben geboren en getogen in Haarlo, zoon van een leerlooier en opgegroeid met drie oudere zussen. Na de lagere school heb ik diploma’s behaald voor metaal en elektra. Mijn eerste baan was als leerling bij de smid. Daarna heb ik een korte periode bij een machinefabriek gewerkt, maar al snel ben ik bij Centrale IJkinrichting Borculo aan de slag gegaan. Dit bedrijf was verantwoordelijk voor het controleren van meetinstrumenten. Vanwege mijn rugklachten ben ik overgestapt naar Holland Signaal, maar toen er een nieuwe functie vrijkwam bij de C.IJ. ben Ik toch weer teruggegaan. Ik kreeg daar een functie om aan de hand van tandwielen meterkasten uit te kunnen meten. Hiervoor reisde ik het hele land door. Een prachtige baan en ik heb het daar dan ook maar liefst veertig jaar volgehouden. Door het werken met tandwielen is ook mijn liefde voor horloges en klokken ontstaan.’ Hij begint enthousiast te vertellen over de vele klokken die hij heeft gerepareerd. ‘Urenlang kon ik eraan sleutelen. Net zo lang totdat het klokje weer begon te tikken.’ Ik kijk naar zijn gerimpelde handen met zijn slanke vingers en zie het beeld zo voor me.

Dan is het tijd voor de eerste foto. ‘Pa, het lijkt mij wel mooi als je op je buik gaat liggen. Je weet wel zoals je ook altijd je krant leest en de puzzel maakt.’ Henk vraagt zijn vader of het mogelijk is om zich te positioneren op de grond naast de tafel. ‘Ik vind het prima jongen’, zegt Gerrit. Met wat ondersteuning van Henk lukt het hem om te gaan liggen. Plat op zijn buik boven een kruiswoordpuzzel lacht hij vriendelijk in de lens.

Als Gerrit weer in zijn stoel gaat zitten volgt hij zijn zoon nauwlettend. Henk is alweer druk in de weer om de boel om te gooien en bouwt in een andere hoek van de kamer een kleine studio op. ‘Hij lijkt veel op mij.’ Gerrit knikt in de richting van zijn zoon. Zijn blik staat zacht en ik hoor de warmte in zijn stem. ‘Hij werkt net zo precies en gedetailleerd als ik, maar ook qua karakter hebben we veel gemeen.’

‘Oké waar was ik?’ De man naast mij schuift iets naar achteren. Ik zie dat het hem energie kost, maar hij geeft er niet aan toe. Zodra hij goed zit gaat hij verder. ‘O ja, mijn werk’, zegt hij. ‘Het werk bij C.IJ. was niet mijn enige baan. ’s Avonds en in de weekenden speelde ik in een band. Muziek is mij met de paplepel ingegeven. Wist je dat mijn vader zelfs hier de omgeving de eerste muziekvereniging heeft opgericht?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Het hele gezin zat bij de harmonie. Op mijn negende speelde ik de fluit. Een jaar lang fietste ik wekelijks voor mijn les alleen naar Neede. Na de fluit volgde de dwarsfluit. Hiermee heb ik geregeld bij gelegenheden en in de kerk mogen spelen. Enkele jaren daarna speelde ik bij een dansorkest, de S.R.B. Ik bespeelde eerst de contrabas en later heb ik deze nog ingeruild voor de saxofoon. Ik heb enorm genoten van deze tijd.’ Mijmerend kijkt hij even van me weg. Dan wordt hij opeens serieus als hij zegt: ‘Het had ook een keerzijde. Ik heb mijn kinderen en eigenlijk ook mijn vrouw in die tijd wel tekortgedaan. Ik deed het natuurlijk ook om iets extra’s te verdienen, maar ik was wel veel weg. Achteraf had ik meer tijd met ze willen doorbrengen, maar op dat moment dacht ik dat ik er goed aan deed. Op zondag gingen we er wel bewust op uit. We trokken veel op met het gezin Lappenschaar en genoten samen van de kleine dingen.’

De tweede foto kan worden genomen. Gerrit mag in een stoel gaan zitten. Het poseren gaat hem best goed af. Op een natuurlijke wijze laat hij het over zich heen komen. Als afsluiter mag het koppel samen op de kiek. In tegenstelling tot haar man ziet Truus er wat gespannen uit. Wat onwennig kijkt ze van Henk, naar mij en weer terug. Pas als Gerrit haar hand vastpakt lijkt ze wat te ontspannen. Dan zie ik hoe hij naar haar kijkt en het raakt me. Ik zie een man van achtenzeventig jaar met zoveel liefde in zijn ogen. Hij maakt een grapje en Truus lacht. Henk knipt een paar keer en de foto staat erop.

Voorzichtig neemt Gerrit weer op zijn vertrouwde plek plaats.

‘Waar hebben jullie elkaar eigenlijk ontmoet?’, vraag ik. ‘Nou dat zal ik je eens vertellen.’ In zijn ogen zie ik een twinkeling verschijnen. ‘Op mijn tweeëntwintigste kwam ik haar spontaan tegen. Ik was met een vriend naar de film geweest en op de terugweg van de bioscoop naar huis zag ik haar. Wij waren op de brommer, maar zij was op de fiets. Ze fietste samen met een vriendin richting huis, alleen de laatste acht kilometer moest ze alleen. Dit kon ik natuurlijk niet toestaan, dus ben ik met haar meegegaan en heb haar netjes voor de deur afgezet en zo kwam van het een het ander.’ Zijn blik wordt, indien mogelijk, nog ondeugender. ‘Na een aantal jaren zijn we getrouwd en kwamen de kinderen.’

‘In de opvoeding heeft muziek ook altijd een belangrijke rol gespeeld. Ageeth, Henk en Rob verschillen veel van elkaar, maar zijn alle drie muzikaal. Truus en ik hebben er bewust voor gekozen om muziek en sport te stimuleren en het zit natuurlijk ook wel in hun genen. Liever naar de sportclub of harmonie dan dat ze kattenkwaad uithaalden op straat.’ Hij lacht. ‘Terugkijkend op mijn leven is een van de mooiste momenten geweest dat we een keer met z’n vieren hebben opgetreden. Samen met mijn drie kinderen speelden we met kerst in een café. Ongelofelijk, wat voelde ik me toen trots.’ Gerrit straalt. Ik ben sowieso trots op alle drie mijn kinderen, maar van de vier kleinkinderen geniet ik nog wel het meest.’

De geur van groentesoep vult de kamer en Truus vraagt ons aan tafel te gaan. Op de klok zie ik dat we al ruim anderhalf uur aan het praten zijn. De tijd is voorbijgevlogen. Door het keukenraam zien we een ekster druk tekeergaan in zijn nest. Ik zie een keurig verzorgde achtertuin en daarachter een prachtig wijds uitzicht. Wat een rust.

Gerrit roert in zijn soep. Door zijn hartklachten heeft hij de afgelopen jaren veel ingeleverd. Desondanks zie ik een gelukkig man. Trots op zijn roots en op zijn gezin. De Achterhoek is zijn thuis. De ruimte, de natuur de nuchtere insteek van de mensen om hem heen. Gerrit is iemand die heeft geleefd en alles met volle teugen beleeft. Zoals hij het zelf verwoord: ‘Ik heb een prachtig leven gehad en ben dankbaar voor de tijd die me nog gegeven is.’

Ik had nog wel uren kunnen luisteren naar al zijn prachtige verhalen, maar zoals vaak op dit soort momenten, is er een tijd van komen en een tijd van gaan. Het zonnetje schijnt nog steeds over Borculo als we het huis weer via de achterdeur verlaten. Wat een heerlijke dag!

Tekst: Sandy Theunissen; www.jouwtekstschrijver.nl


Foto: Henk Hulshof

 


Remko Theunissen

Remko Theunissen

Verscholen achter een rij bomen doemt opeens een knalrood hek op. Hier moet het zijn. Op een bord lees ik in gekleurde letters ‘de Hof van Wezel’. Door een wolk van wilgenpluis rijd ik het terrein op. Na een paar bochten parkeer ik mijn auto langs het pad in de berm. Remko komt mij al tegemoet. We schudden elkaar de hand. Dit is de tweede keer dat ik hem zie, maar weer ben ik onder de indruk van zijn lengte. Met zijn 2.03 meter torent hij hoog boven mij uit. We steken de straat over en direct kijk ik mijn ogen uit.

Nog voordat ik zijn plaats betreed valt mijn oog op een grafsteen zonder naam. ‘Die heb ik gekregen bij een klus’, vertelt Remko. ‘We werden gevraagd om de graven op een oud kerkhof te ruimen. Wel wat luguber, maar een klus is een klus. Alles werd gesloopt, maar deze vond ik zo mooi. De steen is al heel oud. Ik mocht hem houden als ik de naam eraf zou halen. Inmiddels staat hij daar alweer een paar jaar.’

Ik loop iets verder en ga de houten woning binnen. Het heeft iets weg van een tuinhuis, alleen dan wel maat XXL. Binnen staan twee bedden, wat ander meubilair, dozen vol met platen en aan de stalen constructie hangen verschillende lampen. Aan de achterkant van zijn huis is veel groen. Er loopt een sloot met daaroverheen een loopbrug. Voor zijn huis heeft hij een open tuin compleet met vijver, 3 bakfietsen, kachels en een reusachtige stenen barbecue. Verder staat er een boom die volhangt met kannen en cafetieres. Aan de linkerkant staat een palmboom en overal waar ik kijk zie ik kabouters. ‘Het waren er een stuk of 30, maar inmiddels heb ik ook al een aantal weggegeven’, lacht hij.

Aan de gerooide boomstam, die dienstdoet als ondersteuning voor de overkapping, hangt een koeienkop. Remko volgt mijn blik. ‘Die heb ik tijdens een van mijn vele reizen door Slovenië meegenomen. Slovenië is een prachtig land. Ik kom daar graag. Een goede vriend van mij komt daar vandaan. Hij woont nu ook hier.’ Remko wijst naar rechts. Ik zie een donkere stacaravan staan. Hij woont dus echt dichtbij. ‘Zijn vriendin en kind wonen tussen ons in’, vervolgt hij zijn verhaal. ‘Voormalig Joegoslavië is prachtig. Ben je daar weleens geweest’? Ik knik. Ik ben het volledig met hem eens. De ongerepte natuur, vriendelijke mensen, de vrijheid en rust. Ik snap wel dat hij daar dol op is.

Dan wijst Remko naar een auto helemaal links vooraan zijn tuin. ‘Daar staat mijn meest kostbare bezit. Ik krijg er waarschijnlijk niks meer voor, maar voor mij heeft het veel waarde. Het is een rode Opel Kadett uit 1979. Mijn derde auto. Ik heb hem overgenomen van de oma van mijn toenmalige vriendin. Het is de laatste in zijn soort. Hierna kwamen er andere modellen. Inmiddels staat hij al 20 jaar stil, maar overal waar ik ga, gaat hij met me mee.’

Remko maakt voor ons beiden een kop koffie. De wilgenpluis dwarrelt nog steeds om ons heen. Ik neem een mok van hem aan en terwijl ik geniet van mijn eerste slok vraag ik hem: ‘Waar heb je eigenlijk overal gewoond?’ ‘Ik ben opgegroeid in Winssen. Mijn ouders hebben daar een huis aan de dijk. Mijn eerste eigen woning was midden in de stad. Daarna volgde Bemmel, een boerderij in Nijmegen-West, een appartement bij de Sint-Stevenskerk, Vila Kraaksteen in Berg en Dal. Zo heet het niet, maar zo noemde we het’, grijnst hij. ‘Een van de mooiste locaties was Ford Pannerden en voordat ik hier kwam wonen heb ik op het mobilisatie-complex in Alverna geleefd. Ik woonde daar in een loods van maar liefst 450 vierkante meter. Deze stond helemaal vol spullen die ik door de jaren heen heb verzameld.

Het huis waar ik nu woon heb ik vorig jaar in 3 maanden tijd gebouwd.’ Trots laat hij me de foto’s zien. ‘Het meeste hout is afkomstig van pallets. De staalconstructie komt uit een kas en de fundering is van stalstenen. De reden dat ik voorheen heb gekraakt en nu hier woon heeft alles te maken met mijn visie op het leven. Ik wil niet werken om te kunnen wonen. Liever betaal ik zo min mogelijk aan woonlasten, zodat ik de dingen kan doen die voor mij echt de moeite waard zijn. Ik voorzie in mijn levensonderhoud door geregeld bij de Plak als portier aan de deur te staan. Officieel ben ik tuinman van beroep. Ook daar klus ik nog weleens in bij, maar veel tijd besteed ik aan allerlei hand en spandiensten. Zo bouw ik bijvoorbeeld veranda’s en help ik vrienden en anderen die mijn hulp goed kunnen gebruiken.’

Al luisterend naar zijn verhaal hoor ik vogels fluiten. Iets verderop kraait een haan. Kuikentjes en een zwarte eend komen waggelend de tuin in gelopen. Wat een rust.

We eindigen onze ontmoeting met een rondleiding over het terrein. Door de witte pluisjes heen lopen we langs allerlei verschillende recreatieplekken. We lopen langs een stuk grond waar zijn vriendin waarschijnlijk ooit wil gaan verblijven. Een creatieve fotograaf met eveneens een vrije geest. Ze woont nu nog ergens anders, maar heeft hier alvast een plekje uitgezocht.

Remko vertelt mij over het ontstaan van recreatielanderij ‘De Hof van Wezel’. Het is ooit begonnen als een terrein met moestuinen. Het heeft een poos geduurd voordat dit terrein is gelegaliseerd. Nu het zover is verblijven jaarlijks zo’n 40 mensen op een vaste plaats. In totaal is er plek voor 150 recreanten. We worden door iedereen die we tegenkomen vriendelijke begroet. We lopen langs tuinen, caravans, houten vertrekken, gekleurde volkswagenbusjes, een grote weide en over een dijkje. Ergens in een hoek wordt wel een heel bijzonder onderkomen gebouwd. Een constructie van gerooide bomen. Alles wordt gemaakt van natuurlijke materialen. Het is nog niet af, maar het ziet er nu al indrukwekkend uit. Het doet me denken aan een reusachtige lemen hut. Alleen dan nu nog zonder leem.

Dan zijn we weer terug bij het beginpunt. Na nog een keer om me heen te hebben gekeken nemen we afscheid. Remko, een man met een imposant gestalte, vriendelijk gezicht en een vrij unieke levenswijze. Wat een heerlijke plek heeft hij uitgekozen om het leven te vieren. Wie Remko ooit heeft ontmoet zal hem niet snel meer vergeten.

Tekst: Sandy Theunissen; www.jouwtekstschrijver.nl

Remko in Hof van Wezel
Foto: Henk Hulshof


Marc Ovezall

Marc Ovezall

Tussen wat wordt gezegd en niet bedoeld en wat wordt bedoeld en niet gezegd gaat de meeste liefde verloren.’ (Khalil Gibran)

Bij onze eerste ontmoeting vertelt Marc over het ontstaan van zijn bedrijf, Mo-tech Industries. Van een sportieve fysiotherapeut naar het ontwikkelen van unieke e-bikes. Fysiotherapie bleek niet zijn uiteindelijke ambitie te zijn. Als tussenfase is hij bij een bedrijf gaan werken dat speciale fietsen ontwikkelde voor de overheid. Na enkele jaren heeft hij, met hard werken, een eigen zaak opgezet. Samen met een enthousiast team ontwikkelt hij nu speciale e-bikes voor overheidsinstellingen als defensie en stadswacht.

Ongemerkt zitten we al een poosje te praten als we worden onderbroken. Het is tijd voor het volgende model. Net voor het afscheid zegt Marc: ‘Als ik het over mocht doen, dan deed ik het allemaal anders.’ Zienderogen verandert hij van spontane open persoonlijkheid naar een man met iets droevigs in zijn blik. Ik kan het nog niet helemaal plaatsten, maar iets in mij is getriggerd.

We spreken een tweede keer af.

Bij binnenkomst word ik verrast door een sfeervol ingerichte kamer. Michael Bublé op de achtergrond, kaarsen aan. Marc begroet me hartelijk. Ik voel me direct welkom. Twee glazen worden gevuld met wijn. Ik neem een slokje en proef een soepele, kruidige smaak. We nemen plaats aan tafel. Als ik inmiddels niet beter zou weten dan zou je denken dat deze man het goed voor elkaar heeft. Echter aan tafel zit een gekwetst man. Al snel zitten we midden in een gesprek. Marc vertelt openhartig: ’Zij is mijn grote liefde.’ Hij wijst naar een stralende vrouw op een foto achter zich. ‘Een diepere connectie is vrijwel ondenkbaar. We leken voor elkaar te zijn gemaakt. Het was een verbondenheid op een niveau waarvan ik nooit gedacht had dat het kon. Alles leek te kloppen. Ik kon zijn wie ik ben en mijn verdraagzaamheid naar haar was even groot. Onlangs kwam aan al dit moois abrupt een eind.’ Even staart hij stilzwijgend voor zich uit. ‘Ik ben er kapot van.’

Marc zit op het puntje van zijn stoel. Het wijnglas draait hij tussen zijn vingers op een neer. ‘Weet je liefde, eerlijkheid, vertrouwen en loyaliteit zijn de vier kernwaarden waar ik naar streef.’ Marc kijkt mij vol overtuiging aan en ik geloof ieder woord dat hij zegt.

’Ik verkeerde lang in de illusie dat anderen dit ook nastreven. Helaas blijkt dit niet altijd zo te zijn.’ De afgelopen weken hebben zijn gezicht getekend, maar dan wordt zijn blik zacht. ‘Bij de eerste ontmoeting met haar was ik flabbergasted door haar schoonheid. Ik heb haar later pas echt leren zien. Ze is zo’n mooi mens.’ Ik zie de liefde in zijn ogen. ‘Het is bijna dezelfde liefde als die ik voor mijn zoon voel. Anders natuurlijk, maar wel heel puur.’

‘Sinds het ontstaan van mijn bedrijf heb ik veel tijd en energie gestopt in de opbouw en ontwikkelingen die het heeft doorgemaakt. Prachtig om te doen, maar het heeft ook een keerzijde. Nu ik haar echt neig kwijt te raken merk ik dat ik mezelf gaandeweg ook ben verloren. Als ik later vanaf mijn veranda terugkijk op mijn leven dan wil ik niet denken: ’Goh, wat heb ik toch veel bereikt, in financieel opzicht. Nee, ik wil kunnen denken: ‘Goh, wat heb ik toch fijn geleefd. Ik heb begrepen wat het leven inhoudt.’

Marc schenkt de glazen nog een keer vol en samen proosten we: ‘op het leven en op de liefde.’ Zo praten en filosoferen we nog een poosje door. We lachen om onze eigen gedachtes en relativeren er een eind op los. Totdat het tijd voor mij is om te gaan. Op de terugweg denk ik aan het gesprek van deze avond. Wat een krachtige man. Ik heb er alle vertrouwen in dat het hem gaat lukken om het geluk en zichzelf weer te vinden. Hij komt er wel, want zoals ik het zie realiseert Marc zich maar al te goed waar het in dit leven allemaal echt om draait.

Tekst: Sandy Theunissen; www.jouwtekstschrijver.nl

Marc Ovezall
Marc Ovezall

foto: Henk Hulshof


Joop van Wees

Joop van Wees

‘Door de jaren heen ben ik op veel plekken geweest, maar voor mij is er geen andere plek op aarde waar ik me zo thuis voel als hier.’

Tegenover mij zit een man die trots is op zijn roots. Als echte Wijchenaar geniet hij van het dorp dat hem zo lief is. ‘Ik heb het zien veranderen van een kleine kern tot de middelgrote plaats zoals die nu is. Mijn geboortehuis stond op de Elstweg. Daar, dicht in de buurt van het centrum, heb ik een fijne jeugd gehad. Ik was een ondeugend kind. Ik hield van kattenkwaad, maar ik heb nog nooit iets kapot gemaakt.’ Joop grijnst van oor tot oor. ‘De jeugd van tegenwoordig is harder. In mijn ogen is iedereen meer op zichzelf en minder begaan met de mensen om zich heen’, Joop klinkt een paar tellen iets verbitterd. ‘In mijn tijd kende je de volledige buurt op je duimpje. De deur stond altijd open. Dat is tegenwoordig wel anders’. Zijn blik staat nog steeds wat somber, maar al snel klaart hij weer op.

‘Na mijn schooltijd ben ik als automonteur aan de slag gegaan. Via het transportbedrijf van mijn oom kwam ik voor het eerst met vrachtwagens in aanraking. Als elektromonteur kon ik mezelf aardig uitleven op de elektrische kronen die de grote jongens van die tijd nog hadden. Na jarenlang sleutelen werd ik op een dag gevraagd om zelf te gaan rijden.’

Joop vertelt honderduit over de vele reizen die hij heeft gemaakt. Het was een periode waarin hij aardig wat belevenissen heeft opgedaan. ‘Het was een relaxte baan’, zegt hij mijmerend. ‘Urenlang heb ik alleen in de cabine doorgebracht. Het waren lange dagen, maar ik heb me nog nooit een seconde verveeld.

Als internationaal chauffeur kwam ik geregeld in Scandinavië, Italië en Spanje, maar ook landen als Zwitserland en Duitsland lagen op de route. Hier kon je toen nog vrij rijden’, legt hij uit. ‘Om me heen keek ik zo de wijde wereld in. Nog een groot bijkomend voordeel, er waren daar een stuk minder controles.’ Hij kijkt me veelbetekenend aan. ‘Weken van 80 tot 100 uur waren heel gebruikelijk’, vervolgt hij zijn verhaal. ‘Er waren momenten waarop de slaap opeens toesloeg. Dan deed ik het raam open, zette de radio harder en zong ik mee met de muziek. Op die manier kon ik er weer een paar uur tegenaan.

De allermooiste ritten waren naar Holstebro, in het noorden van Denemarken. Bij dit soort reizen was het een waanzinnige kick als ik achteraf kon terugkijken op een rit waarbij alles goed was verlopen. Echter hoe gek ik ook was op mijn werk, er zat ook een keerzijde aan. In al deze uren op de weg heb ik de nodige ongelukken meegemaakt. Ik heb dingen gezien die je niemand toewenst.’ Om zijn woorden kracht bij te zetten, schudt hij langzaam zijn hoofd van links naar rechts. ‘Dikwijls heb ik de vrachtwagen langs de kant van de weg gezet om slachtoffers te helpen in de hoop op een overlevende. Helaas mocht dit niet altijd baten.’ Dan veert hij iets op en zegt hij een stuk opgewekter: ‘Het mooiste aan dit beroep, daarentegen, zijn de vele ontmoetingen. In wegrestaurants en op de parkeerplaatsen heb ik tal van mensen gesproken. Ieder met zijn eigen verhaal en bestemming. Het was ook zo mooi om te zien hoe mensen onderweg reageerden als ik met mijn vrachtwagen passeerde. Ouders met kinderen die stil gingen staan om te zwaaien. Het toverde dikwijls een lach op iemands gezicht.

Ik heb tot mijn 48ste met liefde gereden. Een hartinfarct heeft er helaas voor gezorgd dat ik thuis kwam te zitten. Het sleutelen zit nog steeds in mijn bloed. Zodra ik kan ga ik achter in de schuur met elektra aan de slag. Hier hoop ik nog lang van te mogen genieten. Ook van alle dingen met Annie hoor’, zegt hij er vlug achteraan. Vanuit mijn ooghoeken zie ik een vriendelijk ogende vrouw in de deuropening verschijnen. Ik geef beiden een hand en samen lopen ze de koude buitenlucht in. Ik bedenk me dat ik er nog niet eerder bij stil heb gestaan hoe veelzijdig het beroep van een internationaal vrachtwagenchauffeur eigenlijk is. Tevreden sla ik mijn aantekeningenboek dicht.

Tekst: Sandy Theunissen; www.jouwtekstschrijver.nl

Joop van Wees

Foto: Henk Hulshof ; www.henkhulshof.com


Albert Barsch, accordeonist. Karakterportret 2017

Albert Barsch

Albert Barsch

‘Het mooie van muziek is dat het je op vele manieren kan raken. De voorkeur is heel persoonlijk, maar de saamhorigheid is in iedere muzieksoort gelijk.’

Albert zit voor me op een kruk als hij zijn verhaal begint te vertellen.

‘Als 7- jarige jongen kwam ik voor het eerst in aanraking met de accordeon. Tijdens de wekelijkse boodschappen ging ik steevast met mijn moeder mee. Niet om de kaakjes, maar voor de muziek.’ Hij geeft me een knipoog. ‘Terwijl mijn moeder de kruidenierswaren bij elkaar verzamelde, verbleef ik bij restaurant Rutex. Daar speelde in die tijd een Jazzcombo. Vanaf de rand van het podium absorbeerde en inhaleerde ik voor het eerst de klanken van dit wonderlijke instrument. Een ding wist ik zeker: ‘Dit wil ik ook!’ In zijn ogen zie ik voor heel even weer die jongen van toen.

Albert vertelt verder..

‘Op mijn 6de ging ik bij een koor en nog geen jaar later begon ik met spelen. Ik ging bij een accordeonvereniging en kreeg privéles. Met een groep van 60 kinderen studeerden we stukken in en gingen we op concours. Uniek in die tijd, want we crosten tijdens deze tripjes half Nederland door. Op mijn 14de ging ik zelfs mee met groepsreizen. Met een bus vol bejaarden reisden we af naar Volendam. Onderweg speelde ik bekende wijsjes. Ik zie het nog voor me.’ Breed grijzend vertelt hij: ‘Staand in het gangpad, spelend op mijn accordeon. De hele bus zingt uit volle borst mee en ik ondertussen maar hopen dat de buschauffeur de touringcar goed op de weg kon houden.’

‘De liefde voor dit unieke toetsinstrument is nooit meer weggegaan. Of het nu licht klassieke muziek is, schippersliedjes of smartlappen zijn. Het is een prachtig geluid om te horen. Zeer populair in de jaren ’70, maar nu nog steeds geliefd. Momenteel begeleid ik een Schipperskoor in Grave en een Smartlappenkoor in Venlo. Daarnaast speel ik maandelijks bij Liederentafels in en rondom Wijchen. Op zo’n avond komen er in Sterrebosch zo’n kleine honderd mensen bij elkaar. Iedereen krijgt een boek vol songteksten. In het begin zie je sommigen nog afwachtend kijken. De nieuwelingen zijn vastberaden om nog geen noot te zingen. Echter zodra ik begin te spelen werkt het aanstekelijk. Binnen de kortste keren krijg ik de hele zaal mee. Muziek verbroedert. Al dikwijls heb ik mogen ervaren dat er zieke mensen in de zaal zaten. Na afloop vertelden ze me dan dat ze zo ontzettend hadden genoten. Het gevoel van saamhorigheid en de afleiding van het zingen zorgt ervoor dat ze alles even los kunnen laten.’ Ik kijk hem glimlachend aan.

Albert vertelt dat zijn accordeon voor hem aanvoelt als een foto. ‘We hebben al zo veel samen beleefd. Het is een bak vol herinneringen. Sinds ik gestopt ben met het werken als vrachtwagenchauffeur, reis ik nog steeds. Samen met een troubadour heb ik al op vele festivals mogen spelen. Met hem had ik een uniek verwantschap. Daar kan niks of niemand tegenop. Vele avonden hebben we samen doorgebracht. De accordeon, gitaarmuziek, zang en whisky. Meer hadden we niet nodig. Vorig jaar is hij met Pasen plotseling overleden. Vandaag zou hij jarig zijn geweest. Ik mis hem nog iedere dag.’ Albert kijkt even van me weg en ik zie dat het hem raakt.

Dan vervolgt hij zijn verhaal.  ‘Zoals ik al zei’, hervat hij zich dapper. ‘De accordeon betekent alles voor me. Dagelijks gaat hij met me mee. Mensen in mijn omgeving weten niet beter dan dat het mijn vaste compagnon is. De enige momenten dat hij thuis blijft staan is gedurende mijn wandeltochten. Dan wordt hij ingeruild voor de mondharmonica. Dat loopt toch een stuk lichter.’ Er verschijnt een lach op zijn gezicht.

‘De laatste jaren speel ik veel in de Weegbree en andere bejaardentehuizen in Wijchen. Als accordeonist kan ik veel voor een ander betekenen. Het is zo waardevol om te mogen doen. Zo was er eens een demente vrouw waarvoor ik mocht spelen. Ik speelde een Franse chanson. Halverwege het lied begon zij opeens heel hard te huilen. Het lied herinnerde haar aan de tijd die zij in Parijs had gewoond. De vrouw bleek in haar jonge jaren namelijk een danseres te zijn geweest in de Folies Bergère. Door het liedje kwamen er allerlei herinneringen boven.

Een ander mooi moment was een man die al wekenlang nergens meer op reageerde. Ik begeleidde twee meisjes. Zodra ik de eerste tonen inzette en hun stemmen in de ruimte galmden, begon de man te bewegen. Voor het eerst sinds lange tijd kwam hij weer tot leven. Zijn kleindochters waren dolgelukkig dat zij getuigen mochten zijn van dit moment. ‘Albert kijkt me trots en gelukkig aan. ‘Dit waren slecht twee van de vele voorbeelden die ik daar regelmatig beleef.’

We nemen afscheid. Ik had nog wel uren naar hem kunnen luisteren. Ik ken Albert al mijn hele leven en toch is het alsof ik hem vandaag weer opnieuw heb ontmoet.

Tekst: Sandy Theunissen; www.jouwtekstschrijver.nl

Albert Barsch, accordeonist. Karakterportret 2017

Foto: Henk Hulshof; www.henkhulshof.com


De heer Koten

De heer Koten

Voor mij zit een ingenieus en beschaafd man. Nog geen week geleden trof ik hem voor het eerst. De heer Koten. Intellect, wetenschapper, redacteur, levenswijs.

Ik zie hem daar nog aan die leestafel zitten. Hoed op, jas aan, voorover gebogen verzonken in een krant. Zodra ik hem zag wist ik direct, deze man heeft een verhaal. Zonder aarzeling stap ik op hem af. ‘Mag ik u iets vragen?’, zeg ik. Hij kijkt op, schenkt me een glimlach en het ijs is gebroken.

Na een korte kennismaking begint hij te vertellen over genealogie, zijn werk als redacteur, culturen, de geschiedenis. Gebiologeerd hang ik aan zijn lippen. Thuis zoek ik op wat hij nou precies heeft gestudeerd en waarover hij sprak.

Nu zitten we hier tegenover elkaar. Ik stel hem wat vragen. Vrijwel direct verwijst hij mij naar artikelen in de Dukenburger. ‘Als u iets van me wilt weten zoek dan op JW Koten. Daar vindt u alle informatie die u nodig heeft.’ zegt hij. De heer Koten vertelt mij dat hij kerkelijk is. Het geeft hem kracht. ‘Geloof is wat ik zelf denk. Ik pretendeer niet dat er een god is die de waarheid in pacht heeft. Weet u, er bestaan namelijk geen waarheden. Als wetenschapper weet ik dat de waarheid zichzelf altijd weer achterhaalt. ‘Ik luister en kijk hem bemoedigend aan. In zijn toelichting vertelt hij dat men vroeger dacht dat tuberculose genetisch overdraagbaar was en kanker juist weer niet. Inmiddels weten we dat het precies andersom blijkt te zijn. “Zoals de wind waait, zo waait de wind.’ Zijn blik staat ernstig.

Dan vraag ik hem waar hij het meest trots op is. Het antwoord is kort maar krachtig: ‘Nergens op.’ Op de vraag: ‘Waar kunt u het meest van genieten?’ zegt hij zonder slag of stoot: ‘Van helemaal niets juffrouw. Ziet u, als u zo’n jeugd zou hebben gehad als de mijne dan wist u dat het bijna onmogelijk is om te genieten.’ Dan vraag ik hem naar zijn vrouw. Ik zeg hem dat ik in onze eerste ontmoeting heb gevoeld dat hij zielsveel van haar houdt.

Zijn blik lijkt iets te ontspannen en ik zie zijn ogen langzaam vochtig worden. De oude man voor mij verandert van houding. Hij gaat rechtop zitten, buigt iets voorover en zegt: ‘Weet u, iedere dag zodra mijn vrouw ontwaakt zeg ik voor haar een versje op.’ Zijn blik wordt zacht als hij bijna fluistert:

‘Goedemorgen, goedemorgen
Dank voor je goede zorgen
Dank voor je lievigheid
Ik heb je trouw in eeuwigheid’

‘Wat mooi’, zeg ik zacht en vraag hem: ‘Hoe heeft u haar eigenlijk ontmoet?’ ‘Mijn vrouw was de mooiste jongedame van dat studiejaar.’ Zijn kleine ogen beginnen te stralen. ‘Ze volgde bij mij het vak neurofysiologie. Tijdens de leer over het functioneren van de familiestambomen heb ik haar veroverd. Inmiddels zijn we tweeënvijftig jaar getrouwd. Wekelijks nog koop ik bij het bloemenstalletje in de Malvert een bosje bloemen voor haar. Niet zomaar een bos, maar deze stel ik persoonlijk voor haar samen. Zorgvuldig kies ik de bloemen en de kleuren uit. Zo weet ik haar nog wekelijks te verrassen.’

Voor mij zit een warme, zorgzame man. Nog geen week geleden trof ik hem voor het eerst. De heer Koten. Intellect, wetenschapper, redacteur, levenswijs, maar bovenal echtgenoot en vader.

Tekst: Sandy Theunissen; www.jouwtekstschrijver.nl

de heer Koten
de heer Koten

Foto: Henk Hulshof; www.henkhulshof.com